
Hotel in Lissabon
Centraal in de Baixa of het sfeervolle Alfama, op loopafstand van de hoogtepunten.
Gebruik ↑ ↓ om te navigeren, Enter om te openen.

Tien tot twaalf dagen van Lissabon via de Atlantische kust naar Porto en de Douro
Deze route stippelden wij ooit uit voor vrienden die voor het eerst naar Portugal gingen, en we zijn hem sindsdien alleen maar mooier gaan vinden. In tien tot twaalf dagen rijd je van Lissabon langs de Atlantische kust en het studentenstadje Coimbra naar Porto, om te eindigen tussen de wijngaarden van de Douro-vallei. De afstanden zijn kort (zo'n 550 kilometer in totaal), de snelwegen uitstekend, en onderweg wisselen sprookjespaleizen, reuzengolven en portkelders elkaar af. Die ene planningstip bespaart je een halve dag terugrijden, en daar beginnen we hieronder maar meteen mee.
Die planningstip meteen maar: boek een open-jaw-vlucht. Vlieg heen naar Lissabon (LIS) en terug vanaf Porto (OPO), zodat je aan het eind niet de hele route hoeft terug te rijden. De meeste verhuurders van een huurauto in Portugal staan het inleveren op een andere locatie gewoon toe, soms tegen een kleine toeslag, en die betalen wij met plezier voor een halve dag extra vakantie.
Haal je huurauto ook pas op als je Lissabon verlaat. De stad zelf verken je te voet en met de tram, en in de centra van Lissabon en Porto is een auto vooral een blok aan je been.
Reken qua kosten op zo'n €90 tot 140 per persoon per dag voor auto, overnachtingen en eten. De beste reistijd is april tot juni of september tot oktober: aangenaam warm, maar zonder de drukte en hitte van de hoogzomer. In september en oktober is de Douro bovendien op zijn sfeervolst, want dan is daar de druivenoogst in volle gang. Wil je er nog een eiland aan vastknopen, dan is Madeira met een korte vlucht vanaf Lissabon of Porto zo geregeld.
Goed om te weten: op de Portugese snelwegen betaal je tol, deels via elektronische portalen zonder loket. Vraag bij het ophalen van de auto om het Via Verde-kastje, dan wordt alles automatisch afgerekend en hoef je nergens over na te denken.
Tip: reserveer het Palácio da Pena in Sintra en de Biblioteca Joanina in Coimbra online vooraf. Beide werken met tijdsloten en zijn op de dag zelf regelmatig uitverkocht.
Begin met twee volle dagen Lissabon, want minder doet de stad geen recht. Dwaal door de smalle straatjes van de Alfama, waar de was tussen de gevels hangt en je om elke hoek een nieuw uitzichtpunt vindt. Rammel met tram 28 door de heuvels omhoog en klim naar het Castelo de São Jorge voor het beste overzicht over de rode daken en de rivier.
Onderweg naar beneden passeer je vanzelf een paar miradouros, de uitzichtterrassen waar de stad haar avonden doorbrengt. Die bij de Portas do Sol is een fijne eerste kennismaking. Eindig aan het water op het Praça do Comércio, het enorme gele plein dat vroeger de ontvangsthal van het koninkrijk was: schepen meerden hier letterlijk aan de trappen van het paleis af.
De tweede dag hoort bij Belém: de Torre de Belém aan het water en het overweldigende Jerónimos-klooster, allebei uit de tijd van de grote ontdekkingsreizen. Haal om de hoek een pastel de nata, warm en met een snufje kaneel, en je begrijpt meteen waarom Portugezen er zo lyrisch over doen. Wil je het origineel, sluit dan aan in de rij bij de bakkerij Pastéis de Belém, die ze al sinds 1837 bakt naar een recept dat nog altijd geheim is. Sluit de avond af met fado in een klein restaurant, waar het gezang zo dichtbij komt dat praten vanzelf stopt.

In veertig minuten rijd je naar Sintra, een groen heuvellandschap dat bezaaid ligt met paleizen. Het knalgele en rode Palácio da Pena op de bergtop is het hoogtepunt en ziet eruit alsof een kind het met te veel fantasie heeft getekend. Ga zo vroeg mogelijk, want in de loop van de ochtend stromen de bussen vol dagjesmensen toe.
Minstens zo bijzonder is Quinta da Regaleira, met zijn mysterieuze initiatieput: een omgekeerde toren die spiraalsgewijs de diepte in draait. Je daalt hem af over een vochtige wenteltrap en komt via donkere gangen weer boven in de tuin. Parkeren is in Sintra een sport op zich, dus laat de auto beneden staan en neem de shuttlebus vanaf het station. Slaap in Sintra zelf of rijd terug naar de kust voor de nacht.

Vandaag ga je noordwaarts langs de kust, een uurtje rijden. De eerste stop is Óbidos, een spierwit ommuurd stadje vol bougainville. Loop een rondje over de middeleeuwse stadsmuur (zonder leuning, dus let op je stappen) en proef beneden een ginjinha: de lokale kersenlikeur, geserveerd in een bekertje van pure chocolade dat je na afloop gewoon opeet.
Daarna wacht Nazaré, wereldberoemd om zijn reuzengolven. Bij de vuurtoren van Sítio, boven op de klif, breken surfers hier in de winter records op golven zo hoog als flatgebouwen. Een leuk feitje: het officiële wereldrecord golfsurfen, ruim 26 meter, werd precies op deze plek gevestigd. In de zomer is Nazaré juist een gezellige badplaats met een breed strand, en van beide gezichten valt wat te houden. Tussen het strand en de klif van Sítio pendelt een ouderwets kabeltreintje, dus de klim hoef je niet zelf te maken.

Vanaf de kust rijd je in ongeveer 1u15 landinwaarts naar Coimbra, de oude universiteitsstad boven de rivier de Mondego. De universiteit hoort bij de oudste van Europa en haar barokke Biblioteca Joanina is de mooiste bibliotheek die je waarschijnlijk ooit zult zien: verguld houtsnijwerk tot aan het plafond en boeken die je alleen met je ogen mag aanraken. Je bezoekt haar met het tijdslot dat je eerder al reserveerde.
Wandel daarna zonder plan door de steile straatjes van de bovenstad, waar studenten in zwarte capes voorbijschieten. Coimbra heeft ook zijn eigen, ingetogen vorm van fado, hier traditioneel gezongen door mannen in diezelfde capes. Hoor je het ergens uit een deuropening komen, blijf dan even staan.

In nog eens 1u15 rijd je naar Porto, en dan begint voor velen het mooiste deel van de reis. Zet de auto in een garage en verlies je twee dagen lang in de stad: de kleurrijke Ribeira-wijk aan de rivier, de betegelde stationshal van São Bento en de boekwinkel Livraria Lello met haar beroemde rode trap.
Over die laatste zijn we eerlijk: de Lello is prachtig, maar je staat in de rij en betaalt entree voor een boekwinkel vol mensen die vooral foto's maken. De azulejos-hal van São Bento is gratis en minstens zo indrukwekkend. Ga je toch, ga dan meteen bij opening.
Steek daarna de Ponte Dom Luís I over naar Vila Nova de Gaia, waar de portkelders op je wachten. Bij een proeverij leer je het verschil tussen ruby en tawny, met uitzicht op de rivier waar de oude bootjes met wijnvaten liggen. Met twee dagen heb je ook nog tijd voor een boottocht over de Douro onder de zes bruggen door. En bestel minstens één keer een francesinha, het loodzware Porto-broodje met vlees, gesmolten kaas en pittige saus. Daarna weet je waarom Portugezen erna een dutje doen.

Bewaar het beste voor het laatst. In ongeveer 1u30 rijd je landinwaarts de Douro-vallei in, waar de wijngaarden in terrassen langs de rivier omhoogklimmen zover je kunt kijken. Dit landschap hoort bij het mooiste van Europa, en wat ons betreft is het het perfecte slot van deze rondreis: na alle steden eindig je in volstrekte rust tussen de druiven.
Volg de N-222 langs de rivier van Peso da Régua naar Pinhão, een stuk van zo'n 25 kilometer dat ooit werd uitgeroepen tot mooiste autoweg ter wereld. Na deze route snap je die jury volkomen. Stop in Pinhão even bij het kleine treinstation, waarvan de hal is bekleed met azulejos die het wijnjaar in de vallei uitbeelden, en rijd daarna omhoog naar het uitzichtpunt van Casal de Loivos voor het beroemdste panorama over de rivierbocht. Bezoek onderweg een quinta voor een proeverij en blijf het liefst een nacht slapen tussen de wijngaarden, met 's avonds alleen het geluid van krekels. De volgende dag rijd je terug naar Porto, lever je de auto in en stap je op je terugvlucht. Reken maar dat je in het vliegtuig al zit te dromen van een volgende keer!
